Ik was de mooiste uit de orde van de steur
Ik droeg een pak van oranje-groene schubben
Alles aan mij ademde grandeur
En met mijn raadselachtig langgerekte snuit
schreed ik door het water van een machtige rivier
En daar zeefde ik het zoöplankton uit

Ik schat mijn leeftijd op zo’n tweehonderd miljoen
Ik heb de mensheid uit de oceaan zien kruipen
Dat hadden ze voor mij niet hoeven doen
Ik zag hun keizerrijken komen en weer gaan
En altijd stroomt het water van de bergen naar de zee
Ik dacht dat ik hier eeuwig zou bestaan

Maar op een zek’re dag lag er plotseling een dam
Waardoor ik nooit meer bij de paaigronden kwam
En ik raakte in verwarring dus ik sloeg te weinig acht
op een verraderlijke val die in de stroom was aangebracht

En ze hesen mij uit het water op een vieze oude boot
En weer later werd ik in het slijk op de oever neergegooid
En ik sloeg boos met mijn staart, ik ben zeven meter lang
Maar de vissers die daar stonden waren helemaal niet bang
En daar boven in de lucht, daar schreeuwden meeuwen blij:
Laat een verse moot, een verse moot voor mij
Van die domme vis die aan zijn einde is

Ik was de mooiste uit de orde van de steur
Ik droeg een pak van oranje-groene schubben
Alles aan mij ademde grandeur
En met mijn raadselachtig langgerekte snuit
schreed ik door het water van een machtige rivier

De lepelsteur schrijdt door het water (voor 2016)
Luister het hele liedje op Spotify